Erfelijkheid

In dit thema leer je hoe erfelijke eigenschappen doorgegeven worden van generatie op generatie.

 

Genen

Genen zijn stukjes DNA die coderen voor een erfelijke eigenschap. het gehele menselijke genoom bestaat ongeveer uit 20.000 genen. Een mens is dus het product van 20.000 erfelijke eigenschappen die verdeeld liggen over 46 chromosomen

genen

In alle cellen van je lichaam zitten even veel (46) chromosomen. Chromosomen zijn gedurende het grootste deel van de celcyclus gewoon DNA. Elke cel van je lichaam bevat 46 strengen DNA of 46 chromosomen. De chromosomen komen paarsgewijs voor, de zogenaamde homologe chromosomen. Van een chromosomenpaar heb je een chromosoom gekregen van je moeder en een chromosoom van je vader.

 Chromosomenvanpaenma

Het is goed je te realiseren dat je van je moeder 20.000 erfelijke eigenschappen hebt gekregen. Deze eigenschappen liggen op de 23 chromosomen die je van je moeder hebt gekregen. Ook je vader levert 20.000 erfelijke eigenschappen verdeeld over 23 chromosomen. Het komt er dus eigenlijk op neer dat je elke erfelijke eigenschap twee keer hebt. Eén keer van pa en één keer van ma.

genenenallelen

Van elke erfelijke eigenschap krijg je één onderdeel van je moeder en één onderdeel van je vader. Je moeder geeft je dus informatie over je oogkleur, maar je vader ook. Ook krijg je van beide ouders informatie over de kleur van je haar. Een gen bestaat dus uit twee onderdelen. Eén onderdeel van pa en één onderdeel van ma. Zo'n onderdeel noem je een allel. Samengevat komt het er op neer dat  één erfelijke eigenschap (gen) is opgebouwd uit twee allelen.

Genotype en fenotype

Het geheel aan erfelijke informatie in de cel noemen we het genotype van een organisme. Datgene wat we daadwerkelijk waarnemen, is het fenotype van het organisme. Het fenotype van een organisme is de optelsom van erfelijke aanleg (genotype/talent) en de invloeden vanuit het milieu. Hieronder zie je de Feyenoordspits Graziano Pelle. Hij is genetisch belast door zijn ouders met een sterk lichaam, goede spieren en een fantastische coördinatie. Goede eigenschappen voor een spits. Maar of iemand deze talenten optimaal gaat of kan benutten hangt af van een aantal toevalsfactoren uit zijn milieu. Komt Graziano de juiste sportieve vrienden tegen, hebben zijn ouders centen om Graziano te laten voetballen, is er een voetbalclub in de buurt? Al deze milieufactoren bepalen of het genotype (erfelijke eigenschappen) tot uiting komt in het individu. Het fenotype is dan ook de optelsom van genotype (genetische aanleg, of nature) en het milieu (nurture).

fenoengenotype

 Wat doen genen nu eigenlijk

Zoals hierboven omschreven staat, zijn genen stukjes informatie op het DNA. Deze stukjes DNA kunnen in de celkern afgelezen worden. Al onze genen zijn eigenlijk niets meer, maar ook niets minder dan een blauwdruk voor de productie van eiwitten. De cellen van het lichaam maken de eiwitten waar ons lichaam uit is opgebouwd op basis van de genetische codes op het DNA. Hormonen bestaan uit eiwitten, enzymen bestaan uit eiwitten, spieren bestaan uit eiwitten. Kortom: ons lichaam bestaat voor een groot gedeelte uit eiwitten. Gevoelens worden ook gereguleerd door eiwitten. Mensen die worden geknuffeld, of die een schouderklopje krijgen produceren oxytocine. Oxytocine is een  hormoon geproduceerd in de hypofyse. Oxytocine heeft een aantal functies, waaronder contractie van glad spierweefsel (bv. de baarmoeder). Het in de hypofyse geproduceerde oxytocine bindt zich aan de receptoren in de hersenen. In de hersenen lijkt oxytocine een belangrijke rol te spelen bij het verbinden van sociale contacten met gevoelens van plezier. Het speelt een centrale rol bij moederbinding, vriendschappen en romantische interacties, evenals bij seksualiteit. Ook bij het verrichten van zorgtaken wordt er meer oxytocine aangemaakt.

Oxytocine

De les waarin de bovenstaande illustraties en begrippen worden besproken is hieronder te bekijken.