Waarneming en regeling

In dit thema leer je met welke zintuigen een organisme prikkels uit zijn milieu kan opvangen en hoe een organisme reageert op deze prikkels.

 

Het oog.

Het oog is een zintuig. In het oog zitten zintuigcellen die gevoelig zijn voor lichtprikkels. Deze zintuigcellen bevinden zich in het netvlies van het oog. Er zijn twee soorten zintuigcellen: staafjes en kegeltjes. De staafjes hebben een lage drempelwaarde voor licht. Je gebruikt de staafjes om te kijken in het donker. Met staafjes nemen we geen kleur waar, maar alleen grijstinten. De beelden die we ’s nachts zien zijn dan ook alleen opgebouwd uit grijstinten. De kegeltjes hebben een hoge drempelwaarde voor licht. We gebruiken de kegeltjes dan ook alleen overdags wanneer er voldoende licht is. Met de kegeltjes kunnen we kleuren waarnemen.

Staafjesenkegeltjes

Er zitten drie typen kegeltjes in het netvlies. Er zijn kegeltjes die gevoelig zijn voor rood licht, kegeltjes die gevoelig zijn voor blauw licht en kegeltjes die gevoelig zijn voor geelgroen licht. Voorwerpen uit de omgeving stralen licht uit waardoor de diverse kegeltjes in meer of mindere maten gestimuleerd worden. Door diverse kegeltjes meer of minder te stimuleren is het mogelijk alle kleuren waar te nemen. Vergelijk dit maar met het palet van een goede schilder die met behulp van de drie primaire kleuren (rood, blauw en geel) op zijn palet alle kleuren van de regenboog kan maken.

Staafjesenkegeltje3kleuren

Hetnetvlies

Gele vlek en blinde vlek
Niet met alle delen van het netvlies kan je evengoed beelden waarnemen. Dit heeft te maken met hoe de staafjes kegeltjes zijn verdeeld over het netvlies. Er is een plek in het netvlies met een hele grote concentratie aan kegeltjes. Dit speciale plekje heet de gele vlek. Als jij naar iets kijkt, bijvoorbeeld naar de letters en woorden van deze tekst, dan draai je je ogen zo dat deze woordjes precies op de gele vlek vallen. Door de grote hoeveelheid kegeltjes in de gele vlek kan je een scherp beeld waarnemen. Alle staafjes en kegeltjes in het netvlies zijn met zenuwcellen verbonden met het gezichtscentrum in de grote hersenen. Op de plek waar al deze zenuwcellen bij elkaar komen en het oog verlaten als de oogzenuw is geen plek voor zintuigcellen. De plek waar de oogzenuw het oog verlaat heet dan ook de blinde vlek. De blinde vlek is met het volgende experiment makkelijk aan te tonen.

 Blindevlekexperiment
Als je het experiment goed hebt uitgevoerd zie je dat tijdens het bewegen van het hoofd richting het beeldscherm het sterretje verdwijnt. Het sterretje valt dan precies op de blinde vlek. Als je je hoofd nog verder richting het beeldscherm beweegt, dan komt er een moment dat het sterretje weer verschijnt. Het sterretje wordt dan niet meer weergegeven op de blinde vlek. Je ziet het vierkantje scherp omdat het vierkantje wordt afgebeeld op de gele vlek. Het sterretje wordt niet scherp afgebeeld omdat dit wordt waargenomen met een deel van het netvlies met veel minder kegeltjes.

Blindeengelevlek

De staafjes en de kegeltjes zijn op een bijzondere manier over het netvlies verdeeld. Stel: je maakt een wandeling over het netvlies van gele vlek naar blinde vlek en je neemt de zintuigcellen als bomen waar. Bij het startpunt van je wandeling op de gele vlek bevindt je je dan in een kratertje. De wanden van het kratertje zijn een dichtbegroeid woud van alleen kegeltjes. Als je eenmaal het dal van de gele vlek hebt verlaten veranderd langzaam maar zeker de omgeving. Sporadisch verschijnen er staafjes in het door kegeltjes gedomineerde landschap. En hoe langer je weg wandelt van de gele vlek hoe meer staafjes je tegen komt en hoe minder kegeltjes. Na verloop van tijd bestaat het landschap hoofdzakelijk uit staafjes, met zo hier en daar nog een verdwaald kegeltje. Als je het denkbeeldige bos uitloopt en je aankomt op een grote lege vlakte zonder bomen, dan heb je de eindbestemming van je wandeling bereikt. De blinde vlek.

Degrotewandeling