Aders

Bloedvaten die bloed naar het hart toe vervoeren. Aders van de grote bloedsomloop zijn zuurstofarm. Aders hebben een minder gespierde wand dan slagaders, een grotere diameter, waardoor de bloeddruk lager is en vervoeren zuurstofarm bloed. Ook bevatten aderen kleppen om het terugstromen van bloed te voorkomen. De kleine bloedsomloop bevat maar één ader, de longader. deze ader […]
Ader, onderste holle

Via de onderste holle ader stroomt bloed vanuit het onderste deel van het lichaam (buikholte) terug naar het hart. Het bloed in de onderste holle ader bevat weinig zuurstof veel koolstofdioxide en veel andere afvalstoffen van de cellen.
Ader, bovenste holle

Via deze ader stroomt bloed vanuit het bovenste deel van het lichaam (hoof en armen) terug naar het hart. het bloed in de bovenste holle ader bevat weinig zuurstof, veel koolstofdioxide en andere afvalstoffen van de cellen.
Adequate prikkel

Een prikkel waar een zintuig(cel) het gevoeligst is. Voor deze prikkel is de drempelwaarde het laagst, waardoor een kleine of zachte prikkel uit het milieu als een impuls veroorzaakt. De adequate prikkel voor het oog is licht, voor het oor is de adequate prikkel geluid.
Adenine

Een van de vier stikstofbasen die de bouwsteen vormt van het DNA. Adenine vormt een complementaire binding met thymine. Adenine bindt met thymine op basis van de vorm en de hoeveelheid waterstofbruggen. Adenine en thymine binden met twee waterstofbruggen. Guanine en cytosine binden met drie waterstofbruggen.
Ademvolume

De hoeveelheid lucht die per ademhaling ongeveer in- en uitgeademd kan worden. Het ademvolume is afhankelijk van leetijd, geslacht en ouderdom en varieert dus per persoon maar is gemiddeld 0,5 liter (zie afbeelding hieronder).
Ademcentrum

Het ademcentrum ligt in de hersenstam en regelt via motorische zenuwen de activiteit van de ademhalingsspieren. Het ademcentrum stuurt motorische spieren aan met behulp van autonome zenuwen. De ademfrequentie wordt geregeld buiten de wil om. Is de koolstofdioxide concentratie in het bloed hoger dan de gestelde norm in het ademcentrum dan zetten de motorische zenuwen […]
Adaptie
Aanpassingen van de organismen aan de eisen van het milieu. Drijvende kracht achter de evolutie.
Acute afstoting

Zeer snelle afstotingsreactie van een gedoneerd orgaan. Het getransplanteerde orgaan wordt na enkele dagen tot enkele weken na de transplantatie afgestoten. T-lymfocyten (witte bloedcellen) zien de cellen van het gedoneerde orgaan als lichaamsvreemd en gaan daardoor in de aanval. Hierdoor wordt het gedoneerde orgaan afgebroken door het afweersysteem.
Actine

Actine is een eiwit dat onderdeel is van spierweefsel en dat samen met myosine spiersamentrekking mogelijk maakt. Met behulp van ATP en calcium zijn de actine en de myosine eiwitten (filamenten) in staat een spiercel of spiervezel te doen samentrekken. Het langer of korter worden van de spiervezels zorgt voor beweging bij het organisme.