Regeling

In dit thema leer je hoe je lichaam het inwendig milieu constant houdt met behulp van hormonen en zenuwen.

 

Drempelwaarde

De functie van de zintuigcellen in de zintuigen is het transformeren van een prikkel naar een impuls. Als de zintuigcel voldoende gestimuleerd wordt door de uitwendige prikkel, dan moet de zintuigcel in staat zijn om een impuls te creëren op de sensorische zenuw waaraan hij verbonden is. Alle zintuigcellen vervullen deze taak en ze doen dat allemaal op dezelfde manier. Een geprikkelde zintuigcel laat blaasjes met neurotransmitters los. Deze neurotransmitters zorgen voor een lokale depolarisatie van de membraan van de aangrenzende sensorische zenuw. Produceert de zintuigcel voldoende neurotransmitter onder invloed van de prikkel en is de depolarisatie van de zenuwcel groot genoeg, dan ontstaat er een impuls op de betreffende sensorische zenuw en zal er een impuls aankomen in de schoors van de grote hersenen. je wordt je bewust van de prikkel.

Van impuls naar beleving.

Impulsfrequentie

Een impuls is maar een elektrisch signaal op een sensorische zenuw. Als de impuls aankomt bij de hersenen creëren de hersenen met de impulsen uit oor, oog, neus, huid en tong de leefomgeving van het organisme. Het organisme ervaart via de vertaling van de impulsen door de hersenen een leefomgeving. Maar hoe beleef je nu het verschil tussen een zachte en een harde prikkel? Prikkels worden omgezet in impulsen. Als de prikkel laag is, blijft de depolarisatie onder de drempelwaarde. Er onstaat geen impuls. Je neemt niets waar. Is de prikkel sterk genoeg om een impuls te doen ontstaan, dan wordt je je bewust van de prikkel. Prikkelsterkte wordt door de zenuwcel veraald in een hogere of lagere frequentie van de impuls. Een zachte prikkel die wel sterker is dan de drempelwaarde veroorzaakt een impuls met een lage frequentie. Een sterke prikkel veroorzaakt een impuls met een hele hoge frequentie (zie diagram 1 en 2 van hierboven).

Hieronder een situatie uit het alledaagse gebruik met verschillende hoeveelheden suiker. Enkele korrels suiker opgelost in een glas water proef je niet. Er zit wel suiker opgelost in het water, maar de opgeloste korrels veroorzaken een prikkel die onder de drempelwaarde blijft. Je neemt dan ook niets waar. Je proeft geen suiker. In het tweede gas zit een klein schepje suiker opgelost. Als je het water proeft is de prikkel sterk genoeg om een impuls te doen ontstaan op de sensorische zenuwen. Je proeft nu suiker. Je vindt het drankje misschien lekker zoet. Doen we een hele grote schep suiker in het glas dan ontstaat er ok een impuls, maar met een hele hoge frequentie. Snel spuug je het water uit. Veel te zoet.

Impulsfrequentiemetsuiker

Niet alle dieren hebben dezelfde drempelwaardes voor prikkels uit het milieu. Van honden en bijen weten we dat ze een heel goede neus hebben en dus een zeer lage prikkeldrempel voor geuren uit hun omgeving. Vandaar dat de hond en de bij gebruikt worden bij het opsporen van drugs en mensen in vrachtwagens.

 Lymbischsysteemvanzintuigen